De ervaringen van gepensioneerde SPV-en, of B-nazorgers zoals ze ook wel werden genoemd, verschillen eigenlijk niet zoveel met die van huidige SPV-en. De vraag is natuurlijk of dat in de toekomst zal veranderen.

Ed Kuypers (1939):
Na de B-opleiding werd ik gevraagd om mee te werken aan het opzetten van de
PAAZ-afdeling in Gouda (1965). De directeuren kenden elkaar waarschijnlijk,
en via het informele circuit werd dan gezocht naar personeel. Het ging hier
om katholieke instellingen, dat was een eigen circuit. De nonnen hadden contact
met elkaar en vroegen de directeur om personeel. Het was in die tijd niet zo
makkelijk om te verkassen van onder de rivieren naar erboven, maar ik kwam
natuurlijk uit de Randstad. Er werd niet gevraagd naar kwaliteit maar alleen
of je A en B had, katholiek was en boven de rivieren wilde komen. Voldeed je
daaraan, nu dan was het beklonken. Vijf jaar was hoofdverpleegkundige en werkte
mee aan het opzetten van allerlei zaken. Er was toen geen enkele katholieke
voorziening in deze regio, dus je kon pionieren. Dat was leuk maar verder was
het vooral gedonder met de directie. Als voorbeeld noem ik het krijgen van
fatsoenlijk bestek voor mensen, ze mochten alleen met een lepel eten. Dat oudere
patiënten die een CVA hadden gehad fysiotherapie kregen, voor al dat soort
dingen moest je knokken. Op de PAAZ kwam ik in aanraking met een al wat oudere
en heel betrokken SPV (Geesje Jonker) en psychiater (Henk Kraus). Dat was eigenlijk
voor het eerst in mijn carrière dat ik met mensen te maken kreeg waarvan
ik dacht, daar zou ik mee willen samenwerken. Bovendien gaven die mensen je
ook echt advies als je ergens mee omhoog zat. Dat leek me dus wel wat en in
1971 heb ik de B-nazorg gedaan in Driebergen 'Sparrenheide'. Ik ging werken
bij de Provinciale Stichting voor de Geestelijke Volksgezondheid waar alles
mocht en kon, opleidingen volgen, en van alles opzetten. Ik vond het werk leuk
maar ik liep ook tegen de beperkingen van de mogelijkheden op. Dan ging je
op huisbezoek, dat had je precies ingepland, maar dan kwam je daar en had men
je niet nodig! Werd ik weggestuurd omdat zoiets dan niet goed voorbereid was
door het ziekenhuis en vóór het ontslag niet bij de behandeling
betrokken werd.

Jacques Poortvliet (1929):
Op mijn 18e ben ik de Z verpleging ingegaan (1948) en direct erna heb ik de
B en de A in het AZU gedaan. Ik kwam echter tot de ontdekking dat in het ziekenhuis
werken niet mijn levensvervulling was. Het bleek niet zo mijn taak, om als
broeder door het leven te gaan, mijn hart ging meer uit naar de sociale kant
van het leven. Dus toen er een vacature bij de sociaal medische afdeling van
de GGD in Arnhem kwam, wilde ik dat wel doen. Ik wist helemaal niet wat dat
inhield maar ik dacht dat ik daar wel achter zou komen. In dertien jaar tijd
heb ik de psycho-geriatrie en medisch maatschappelijk werk op de zenuwafdeling
van de Algemene ziekenhuizen gedaan (de voorloper van de consultatief verpleegkundige).
Mijn B-nazorg diploma heb ik op de Aemstelhorn in Amsterdam (1965) in Amsterdam
gehaald. Bij de GGD was ik eigenlijk een manusje van alles. Er werden keuringen
gedaan voor de sociale dienst om op medische gronden bepaalde vergoedingen
te verstrekken. In die tijd vroegen mensen bijvoorbeeld brandstof aan bij de
sociale dienst. Wij moesten dan op verzoek van die dienst beoordelen of dit
gerechtvaardigd was. Dit gebeurde meestal in overleg met de huisarts, ook voor
tegemoetkoming in de kosten voor extra voeding. Daarnaast waren we ook betrokken
bij acute situaties in de stad. Als iemand bijvoorbeeld psychotisch was, dan
werd dit in eerste instantie door de huisarts bij de GGD gemeld. Wij gingen
er dan eerst op af om te kijken wat er aan de hand was. Daarna schakelden we
de SPD in of, afhankelijk van de gezindte, de daarbij behorende zuil. Af en
toe moest ik ook wel invallen op de ambulance als er te weinig personeel was.
Bij de Sociaal Psychiatrische Dienst van Gelderland werkte dokter Lammers als
directeur. Ik kende hem wel en had te kennen gegeven dat ik daar wilde werken.
Dokter Lammers vond dat goed maar het bestuur, toen nog een regenten bestuur,
zag het niet zitten dat er een man kwam werken in Gelderland. Zij vonden het
meer iets voor vrouwen. Dat was toen nog de filosofie van het bestuur. In een
van de vakbladen las ik dat er een vacature was in westelijk Utrecht bij dokter
van Staveren. Daar heb ik toen op geschreven. In mijn brief vroeg ik of ik
op gesprek mocht komen ondanks het feit dat ik een man was. Na een aantal gesprekken
kon ik in augustus 1969 beginnen als eerste man. Ik was wel een bezienswaardigheid,
de eerste 'broeder' en de stemming was wisselend, sommigen pro en anderen anti.
Ik kon het echter al snel met iedereen vinden en toen was het nieuwtje er weer
af.

Trudy Jansen van den Doormalen (1925):
De emancipatie van de verpleging vind ik erg langzaam gaan. Het zijn natuurlijk
mensen die graag zorgen en het beroep kiezen omdat ze dat belangrijk vinden.
Anderzijds is het voor mensen ook maar een baan die ze vervullen tot de tijd
die er voor staat en verder niets. Er is geen noodzaak om te werken want vaak
verdient de partner het gezinsinkomen, de vrouwen dus het extraatje. Dat heeft
consequenties voor de verdieping die nodig is voor het beroep. Mannen werken
niet mee, die hebben er de pest aan dat hun vrouw onregelmatige diensten draait,
dat ontregelt het huishouden zo. Laat staan dat ze zich ook nog kunnen inzetten
voor het verpleegkundig beroep. Dat ik dat anders heb gedaan heeft te maken
met het feit dat ik moest werken voor de kost. Verder vind ik dat je politieke
betrokkenheid moet tonen. Als je dat niet doet moet je ook niet verwachten
dat de politiek bij jou betrokken zal zijn. De emancipatie is absoluut nog
niet bereikt want je ziet dat de verpleging vrouwenwerk is, en dat vrouwen
op posities zitten die niet belangrijk zijn. In mijn tijd speelde ook mee dat
je als vrouw werd afgestraft als je je kop boven het maaiveld uitstak. Ik heb
dat wel gedaan. Ik ben hoofd van de opleiding tot SPV in Amsterdam geweest
van 1962 tot 1974. Ik ben erg actief geweest om de opleiding uit te breiden
voordat dit landelijk kon. We hebben het aantal lesuren aanzienlijk uitgebreid
omdat de praktijk uitwees dat dit noodzakelijk was. Ik vond dat het methodisch
werken en de communicatieve vaardigheden de belangrijkste basisonderdelen waren,
naar mijn mening is dat zo voor alle gedragswetenschappers. Ik merkte dat ik
daar een beetje alleen in stond. Het deed me veel deugd toen ik vorig jaar
van een oud leerling hoorde dat de opleiding van de Aemstelhorn goed bekend
stond. Als SPV-en vertelden dat ze hier de opleiding hadden gedaan, kregen
ze de baan in feite al omdat het wel goed zat. Ik ben blij dat ik daaraan een
belangrijke bijdrage heb kunnen leveren door een goed programma in elkaar te
zetten.

Thea Reijmers (links, 1929):
Ik heb me in de tijd erg hard gemaakt voor de salarisverbetering van onze beroepsgroep
via de NVAGG waar Van Engelen toen zat. Ik kende hem nog van de tijd dat hij
economisch directeur was. Het werk was zo verantwoordelijk en ik vond dat we
daar ook naar betaald moesten worden. We hebben met de bonden toen stevig geknokt
om dat voor elkaar te krijgen. Ik heb Joop van Londen daar toen nog voor benaderd
omdat ik vond dat hij zich voor ons moest inzetten. Hij liet zich daar toen
niet zo over uit, maar niet lang daarna gebeurde het wel. Je moest je netwerken
gebruiken en lobbyen. Dat was ons als SPV-en natuurlijk welbekend. Verder ben
ik ook actief geweest in de opleidingscommissie van de NVAGG. We zaten daar
met een sterke club vrouwen, de voortrekkers in het beroep, Riet Nouwens, Agaath
van Nooyenkooi. Wij hadden natuurlijk erg veel werkervaring. We waren rond
de negen jaar al lerend en werkend bezig. De wijkopleiding, die was verplicht,
moest je zelf betalen, en duurde een jaar. Je moest dus eerst weer geld verdienen
om naar school te kunnen voor de B-nazorg. Dat betekende dat de mensen ook
al aardig op leeftijd waren voordat ze in het vak van sociaal psychiatrisch
verpleegkundige begonnen. Bovendien waren we gewend om alleen met vrouwen te
werken. Het heeft een hele tijd geduurd voor er mannen in ons beroep kwamen.
Ik vond dat vrouwen oog hadden voor een bepaalde kwaliteit van hulpverlening
die ik bij mijn mannelijke collegae minder waarnam. Het waren natuurlijk voornamelijk
ongehuwde vrouwen die zo lang door gingen in het beroep want als je trouwde
moest je weg. Dat ging zo in die tijd.

Agaath van Nooijen Kooij (1928):
Ik ben een dominerend mens en organiseer graag van alles als ik vind dat iets
niet deugt. Via de verpleegstersbond kwam ik in Utrecht terecht en later van
de Sociaal Psychiatrische Bond tot uiteindelijk bij de NVAGG. Dat vond ik leuke
dingen om te doen. Op woensdag zat ik altijd in Utrecht of Den Haag. Dan had
ik het druk met de bonden, commissies en vergaderingen. Maar ook met Van Londen
dineren en die mannen deden dat heel chique. Ik heb daar allemaal van genoten.
Ik heb het jaren volgehouden tussen al die bekende mensen als Van Londen, Verhoef
en Hennie Verhaegen. Ik weet niet of het te maken had met het feit dat we vrouwen
waren en de anderen 'hoge heren', dat we niet zoveel invloed hadden. Er waren
er een paar, Van Dantzig en Verhoef kan ik me herinneren, die luisterden altijd
heel goed naar me. We hebben natuurlijk ook wel het een en ander voor elkaar
gekregen. In die zin vond ik dat we ons als vrouwen en als verpleegkundige,
verdienstelijk hebben gemaakt. Een jaar nadat ik weg was bij de Riagg, ben
ik geridderd. Als verpleegkundige kun je dus wel degelijk verdomd veel bereiken.
Als verpleegster heb je geen minderwaardig beroep, maar een beroep op een niveau
waarvoor je erkenning krijgt.

Riet Nouwens (midden, 1936):
Het was maar een korte cursus die B-nazorg, op dondermiddag en later de avond
er ook nog bij, en een stage van twee of vier maanden. Ik heb stage gelopen
in het Dercksencentrum bij Dora de Kater. In die tijd kwam de gezinstherapie
op en Norman Bell kwam uit Amerika om de gezinstherapie daar te introduceren.
Op school boden ze ons vooral veel vakken waarbij je verder leerde denken en
kijken dan je neus lang was. Wijsgerige vraagstukken, ethiek, een klein beetje
sociologie, sociale wetgeving en milieuwetten. Heel veel over verstandelijk
gehandicapten, de zorg daarvoor en hoe die georganiseerd was. Natuurlijk ook
psychiatrie, ik heb ook nog les gehad van Van der Speck. Het was zeker een
aanvulling op wat ik al wist. Trudy Jansen van Doormalen was de leidster van
de cursus en zij had zelf de Maatschappelijk werk opleiding gedaan en de VO.
Zij bracht ons de principes van het casework over. Daar heb ik veel aan gehad
want dat was tenminste een methodiek, dat vond ik buitengewoon belangrijk.
Ik kon toen methodisch werken: er is een persoon, later uitgebreid met zijn
systeem, en die heeft een probleem. Dat probleem kan op allerlei verschillende
manieren ontstaan vanuit de persoon zelf maar ook vanuit de omgeving. Die komt
naar een instelling en die instelling heeft mogelijkheden, beperkingen en codes
van waaruit men werkt. De hulp verloopt via een proces en in dat proces zijn
verschillende fases te ontdekken. Ik vond dat heel erg plezierig want van daaruit
kon ik mijn werk veel systematischer vorm gaan geven.

Jopie de Koning (rechts, 1935):
Voor ons bleef er nauwelijks geld over, wij gingen toch maar achter mensen
aan die al gek waren. Ik begon te werken en ik kreeg een adres, en een veter
waar sleutels aanhingen en de mededeling: 'u krijgt een secretaresse voor 4
uur per week en die woont daar'. Ik moest zelf contact opnemen met de psychiater
om af te spreken wanneer we spreekuur zouden doen. Het kantoor was een hokje
van een paar meter, er waren planken op een paar stenen gelegd, er stond een
stoel en een bureau en dat was het. Het district was erg uitgestrekt en ik
moest alles alleen doen. Ik had gelukkig zelf een auto anders had ik dat nooit
gered. Leijten, de directeur klaagde altijd over het feit dat er onkostenvergoeding
voor de auto betaald moest worden. Ik heb toen een keer een dag gebruik gemaakt
van het openbaar vervoer om aan te tonen dat ik die auto gewoon nodig had voor
het werk, ik had zeggen en schrijven 2 patiënten gezien die dag. Ik heb
altijd gewerkt voor de groep chronisch psychiatrische patiënten. Die groep
was het minst bedeeld werd naar mijn mening te snel aan lot overgelaten. Ik
zocht die mensen op, gaf ze een depot en zorgde voor werk. Op die manier hield
ik een wankel evenwicht in stand, maar het werkte wel. Werk was een belangrijk
aspect, ik heb alle grote bedrijven hier in de omgeving van binnen gezien.
Ik liet me altijd rondleiden, had gesprekken met de mensen. Je leerde het bedrijf
kennen en elkaar wederzijds respecteren, ik liet ze goed merken dat ik er respect
voor had dat ze deze patiënten in dienst namen. Ik hamerde er ook altijd
op dat ze me moesten bellen als het fout ging, dat deden ze altijd braaf. Dan
belde een chef op voor consultatie dan wilde hij omgangsadviezen hebben. Nu
is zoiets ondenkbaar, dat past helemaal niet in deze tijd.
An Kreulen (1921):
Ik heb hier in Den Haag veel stagiaires gehad van de Cuserstraat van zuster
van de Doormalen, en van de sociale Academie voor Maatschappelijk werk. Ik
moest al het werk, besprekingen en evaluaties plannen en regelen. Twee keer
in de week had ik met mijn groep bespreking van de cliënten. Ik verdeelde
het werk, zelf deed ik geen huisbezoeken meer, maar rouleerde wel mee in de
spreekuren. Het begeleiden van de stagiaires en de cliënten vond ik het
leukst, kennis over brengen aan die jongeren. Natuurlijk kon je ze ook wel
eens achter het behang plakken. Vooral de mensen die binnenkwamen met een air
of ze de hele wereld bezaten. Als ik met ze gesproken had en ze niet wilde
hebben stuurde ik ze naar het maatschappelijk werk voor een gesprek. Die kwamen
dan naar me toe en zeiden: 'die neem je toch zeker niet?' Dan hield ik me van
den domme en zei: 'als jullie ze niet willen dan neem ik ze niet!' Je had natuurlijk
ook die beoordelingen, die moesten ze van mij altijd zelf schrijven:'Ga jezelf
maar even beoordelen'. Dat deden ze dan altijd veel erger dan ik het gedaan
zou hebben. Dan zei ik: 'je bent wel een beetje streng voor jezelf, hoor'.
Ik heb ook wel eens iemand gehad die kwam met van die kikker schoenen en een
heel kort truitje, als ze bukte was ze helemaal bloot. Ze kwam solliciteren
en toen had ik gezegd, dat de kleding een beetje aangepast moest zijn omdat
we in gezinnen kwamen. Ze was nog maar een paar uur in dienst of ik werd al
gebeld door de psychiater van de afdeling die vroeg of ik dat tolereerde dat
iemand er zo bijliep. Ik zei toen dat ie het maar aan mij moest overlaten.
Ik ben toen naar haar toegegaan en heb gevraagd hoe dat nu kon terwijl ik het
uitdrukkelijk met haar besproken had. Ze zei toen dat ze vond dat ze zelf wel
mocht bepalen wat ze droeg. Ik zei, ja hoor dat mag je ook, maar ik mag bepalen
of het wel of niet geschikt is voor het werk, dat mag ik. Daarna heeft ze het
ook gedaan en hebben we een fantastische collega aan haar gehad.

Reina Glas (1924):
Vroeger was je echt het hulpje van de psychiater en de psycholoog. Zij deden
dan het onderzoek en wij moesten thuis kijken of de adviezen die zij gaven
wel opgevolgd werden. We moesten dan sociale rapporten maken en begeleidingen
doen. Ook moesten we achter de NVZB'tjes aan. Niet Verschenen Zonder Bericht
betekende dat. Wij moesten achter mensen aan die niet op de afspraken verschenen
waren. Verder deed ik ook veel begeleidingen vanuit de LOM-scholen. Daar was
je erg druk mee want je moest keuringen doen en rapporten opstellen. Ik bemiddelde
veel om kinderen aan activiteiten te laten deelnemen van club en buurthuizen.
Verder waren we ook verantwoordelijk voor uithuis plaatsingen. Dat was ontzettend
arbeidsintensief vanwege die rapporten maar ook om naar de internaten toe te
gaan om daar de besprekingen te volgen. Die internaten waren in het hele land
gevestigd, Harreveld, Borculo, dus daar was je een hele dag mee zoet vanuit
Den Haag. Ik denk dat ik zo'n vijftig gezinnen had, dat was behoorlijk wat.
Daarnaast was ik ook betrokken bij de gezinsvoogdij en had ik kinderen waar
ik gezinsvoogdes van was. Dat was op een andere manier intensief omdat je een
band met die kinderen moest krijgen en op je vrije dag leuke dingen moest ondernemen
om invulling aan die taak te geven. Dan ging ik een dagje naar Blijdorp (de
dierentuin), ik had namelijk verschillende voogdij kinderen in Rotterdam. Dat
hoorde ook bij het werk.
Aad Duijn (1922):
Het was zo dat de collega's van de SPD op huisbezoek gingen bij mensen van
alle gezindten. Zij stelden dan altijd de vraag of het op prijs werd gesteld
om iemand van de eigen religie te ontvangen. Je onderhield contact met de kliniek
van je zuil, in mijn geval de Roomse kliniek in Wassenaar 'de Ursula'. Ik zeg
dat een beetje spottend omdat dit soort zaken nu natuurlijk voltooid verleden
tijd zijn. Ik vind dat overigens een goede zaak. Vroeger was het zo dat katholieke
mensen de voorkeur gaven aan een verblijf in een katholiek ziekenhuis.
Ik ben actief geweest in de Ad-hoc commissie, dat was ter voorbereiding op
de beroepsvereniging. De SPV-en hadden geen eigen organisatie en de maatschappelijk
werkers wel. Toen werd er gezocht naar de mogelijkheid voor een eigen organisatie.
Daar kwam heel wat overleg aan te pas. De Roomse club nam mij dat niet in dank
af, want je hoorde bij je eigen organisatie van je eigen religie. Daar hoorde
je je bij aan te sluiten, maar dat deed ik niet omdat ik daar niets voor voelde.
Ik zag bijvoorbeeld om me heen dat functionarissen bij het LGV en het MOB,
die nog maar nauwelijks in dienst waren, al een studiereis maakten op kosten
van de zaak. Men volgde ook heel dure opleidingen die dan gedeclareerd werden.
Ik vond dat we als SPV-en in dat opzicht achtergesteld werden. Ik stond daarin
niet alleen maar werd gesteund in die gedachte door collegae SPV-en. Dat is
de directe aanleiding geweest voor het initiatief. Ik was er het mens niet
naar om de dingen die ik tegenkwam voor zoete koek te slikken. Ik ging dan
ook direct op het verzoek in, toen ik werd benaderd om hierin activiteiten
te ondernemen. We kwamen regelmatig bij elkaar, eerst in Amsterdam en later
in Leusden. Ik heb nog een toespraak gehouden bij de oprichting in 1979.
![]() |
![]() |