
Carla Raben (1960):
Ik vind Berg en Dal (thans de FVGGZ), een goede zaak. Zolang wij daarbinnen
maar kunnen behouden wat sociale psychiatrie is. Misschien wel vloeken in de
kerk als voorzitter, het gaat mij vooral om het gedachtegoed en de methode
die uitgedragen moeten worden, dat moet voortgang vinden. Belangen van de leden
die kun je misschien ook wel in een wat breder verband bewaken. Het grotere
verband hoort natuurlijk ook bij deze tijd, je moet de strategische alliantie
wel aangaan. Ik merk in de praktijk ook dat het werkt. Mensen op VWS zijn het
zat om verschillende standpunten te horen, telkens weer verschillende belangengroeperingen,
die in feite zoveel met elkaar te maken hebben. Ik kan me daar wel iets bij
voorstellen. Ik ben van mening dat de tijd er rijp voor is om nauwer samen
te werken. De huidige ontwikkeling van transmuralisering maakt duidelijk dat
sociale psychiatrie het gangbare gedachtegoed moet zijn, en worden in de psychiatrie.
Ik denk dat dat onoverkomelijk is, door de fusies kan het lijken dat de klinische
psychiatrie de overhand krijgt, maar ik denk dat dit een tijdelijke zaak is.
Dat werkt niet als je ambulant en meer vraaggericht wilt gaan werken. Als beroepsgroep
moeten we meer gaan uitdragen dat we in deze ontwikkeling strategisch en faciliterend
kunnen opereren. De toekomst voor de SPV ligt enerzijds natuurlijk vooral op
de ambulante psychiatrie, maar ik denk ook dat we dat moeten uitbreiden naar
de intramurale zorg om behulpzaam te zijn de sociale psychiatrie daar te introduceren
We zijn een tijd erg gericht geweest op het terugkrijgen van onze positie omdat
daar enorm aan gemorreld is. Nu moeten we ons weer richten op de inhoud en
uitdragen wat sociale psychiatrie is, in plaats van het te hebben over onze
positie als SPV. Het bestuur moet zich meer inzetten om de visie uit te dragen
en daar faciliterend in zijn. Dat betekent dat we ons daar met meer vertrouwen
en elan op moeten richten, die positie komt dan vanzelf wel.

Rob Zuidhoek (1960):
Ik vind dat een opleiding moet anticiperen op de ontwikkelingen in de praktijk.
Daar gaat men meer naar specialisaties toe, het programma gerichte denken.
Dat betekent ook voor SPV-en dat zij zich meer zullen moeten specialiseren
en meer gerichte specifieke bagage mee moeten krijgen. Het is dan prettig als
je in de opleiding al een aanbod hebt gehad van die verschillende programma's,
zodat je daarna een gerichtere keuze kunt maken. Aan de andere kant is het
ook leuk om van alles wat te weten. Daarna zou je op grond van affiniteit een
keuze moeten maken voor een programma. De toekomst, die overigens niet zo ver
meer voor ons ligt, is echter eerder zo dat je gewoon wordt ingedeeld in een
programma. Onlangs zijn we met alle SPV-en bij elkaar gekomen om de positie
onze positie in de organisatie te bespreken. Het is steeds duidelijker dat
de rol van de psychiater belangrijker wordt, hij is regievoerder. Het zou goed
zijn als de SPV een duidelijke positie krijgt als uitvoerend behandelaar. In
sommige stukken bij ons wordt dat wel genoemd, vooral in de langdurige zorg.
Dat betekent in de langdurige zorg dat je als SPV de continue factor wordt.
Als iemand klinisch wordt opgenomen hou je daar bemoeienis mee maar ook in
de dagbehandeling en de ambulante setting. In de kortdurende zorg echter zie
ik het in de stukken niet naar voren komen. Ik krijg de indruk dat men hard
op weg is om de SPV alleen in te zetten in de langdurige zorg. Ik zou dat erg
jammer vinden want we hebben ook een belangrijke preventieve taak. Als je kijkt
naar de zorg die nodig is bij vroege interventie van psychosen, de psycho-educatie
naar cliënt en familie. Ik zou het kwalitatief een slechte zaak vinden
als de SPV hieraan geen bijdrage meer zou leveren. Daarnaast is het ook zo
dat we alles moeten kunnen. Als het om mensen met een persoonlijkheidsstoornis
gaat dan hoef je niet bij de afdeling psychotherapie aan te kloppen, die groep
komt automatisch bij SPV-en terecht overigens. Ik wil hiermee maar aangeven
dat er voor ons wat dat betreft geen beperkingen zijn, geen afbakening in wat
we wel en niet kunnen. Andere beroepsbeoefenaren doen dat wel. Ik ben er niet
uit of je dat dan als voorbeeld moet nemen want ik vind het ook wel juist het
boeiende van het vak. Ik denk dat we op dit moment gebaat zouden zijn bij richtlijnen
en protocollen die zijn toegespitst op onze eigen beroepsgroep. Het wordt dan
duidelijk volgens welke standaard jij een bepaalde inschatting, met een daaraan
gekoppelde keuze maakt. Ik verwacht hiervan initiatief en ondersteuning van
de vereniging. Nu denk ik niet dat protocollen alles kunnen oplossen, het kan
een hulpmiddel zijn in het werk. Bovendien maakt het inzichtelijk wat men van
jou als beroepskracht mag en kan verwachten.

Grace Hermann (1957):
Naar de cliënten toe zal het hulpaanbod mogelijk gaan veranderen. Intern
is een discussie gaande. Ik merk dat zaken niet zo duidelijk uitgesproken worden,
maar of we nog mensen met een persoonlijkheidsstoornis mogen behandelen, is
helemaal de vraag. De reden daarvan is dat er geen sprake is van As I problematiek
(volgens de DSM IV), het wordt niet alleen als classificatie maar ook als poortmodel
gebruikt. Bij de voormalige Riagg zag je dat dit een grote groep cliënten
betrof die voornamelijk door SPV-en behandeld werd. In de crisisdienst komen
we deze groep cliënten tegen, die kunnen we dan kortdurend behandelen
tot aan de volgende crisis en dan doen we weer een stukje. De gedachte vanuit
de kliniek was toch vooral dat je iets behandelt en dat het dan opgelost moet
zijn. Dat werkt natuurlijk niet bij deze groep cliënten en het is toch
vooral een gedachte die voorkomt uit het medische model. Het werk van de SPV
in de crisisdienst komt er vooral op neer dat je goed moet kunnen taxeren wat
er aan de hand is, een inschatting moet kunnen maken om vervolgens een plan
te trekken. Daarnaast moet je goed overzicht hebben en dat heb je vanwege je
verpleegkundige achtergrond. Je komt veel somatiek, psychiatrie en ernstige
sociale problemen tegen en dat zijn natuurlijk de gebieden waar wij goed in
thuis zijn. Gelukkig dat we hier nog SPV-en in de crisisdienst hebben en niet
alleen artsen en psychiaters. Ik kan me voorstellen dat daar waar dat wel het
geval is, de neiging bestaat om vooral vanuit het ziektemodel naar problemen
te kijken en vanuit die visie te interveniëren ook al is het een systeemgerichte
psychiater. Naast dat aspect moeten we als beroepsgroep ook ontzettend alert
zijn dat ons beroep niet steeds verder wordt uitgehold. Je ziet bijvoorbeeld
dat er SPV-en in opleiding worden aangenomen, dat vind ik een slechte zaak.
Als beroepsgroep hebben we het afgelopen jaar vooral moeten knokken om zelfstandig
te mogen blijven. Ook die gedachte kwam vooral vanuit de kliniek omdat men
daar niet gewend is dat niet-academici een eigen case-load hebben. Ik word
niet zo somber van deze tendensen, het prikkelt mijn vechtlust want ik ben
een knokker. Dat is ook wel nodig want ik heb me tijden boos gemaakt over de
geringe betrokkenheid van collega's over de inhoud van ons vak. Het is ook
niet voor niets dat ik voorzitter ben geworden van het SPV Beraad, dat later
de Verpleegkundige Advies Raad is geworden. Mijn collegae SPV-en hadden daar
aanvankelijk wel moeite mee omdat men zich geen verpleegkundige voelde. Ik
vind dat we dat wel zijn en ook dat we ons als verpleegkundige moeten profileren,
via de adviesraad kan dat en ik merk ook dat het werkt. Overal in het land
zijn nu fusies gaande en het uiteindelijke doel zou moeten zijn dat de klanten
er beter van worden. Wij zijn nu een jaar gefuseerd met het voormalige Reinier
van Arkel en wat je ziet is dat de drempels alleen maar hoger zijn geworden
en de bereikbaarheid slechter. Er is geen concurrentie meer, vroeger kon men
van de ene instelling naar de andere als men niet tevreden was, nu is het allemaal
dezelfde organisatie. Bovendien is het ook ongelofelijk massaal.

Terence Simon (1963):
Ik zie de toekomst voor de verpleging somber in. Aan de arbeidsvoorwaarden
wordt zo weinig gedaan dat mensen liever voor een andere branche zullen kiezen.
Dat heeft natuurlijk ook consequenties voor het SPV beroep want als er geen
mensen zijn die de basisopleiding hebben zullen er ook niet meer voldoende
zijn om een vervolgopleiding te doen. Het is toch ook van de gekke dat je in
de verpleging een duizendpoot moet zijn veel verantwoordelijkheid krijgt maar
dat er geen beloning tegenover staat? Voorheen was dat voor SPV-en geen probleem,
die werden goed ingeschaald maar dat wordt toch ook steeds minder? Nee ik zie
het somber in. Ik denk ook dat het een beetje bij onze beroepsgroep past om
niet in opstand te komen en niet te onderhandelen over dit soort zaken. Ik
vind dat de opleiding daar aandacht aan zou moeten besteden dat je als beroepsgroep
ook leert om eisen te stellen en daarover te onderhandelen. Maar daar zouden
mensen al in de basisopleiding mee moeten beginnen want aan de beroepshouding
van verpleegkundigen schort het nogal. Ik ben momenteel een referaat aan het
voorbereiden over beroepsverantwoordelijkheid en domeinafbakening en bewustzijn
van het eigen handelen. Ik hoop dat in de toekomst vaker te doen, prikkelen
en aanzetten tot na denken.

Michiel Faber (1958):
Ik vind dat duidelijk te merken is dat er methodisch beter, meer vanuit een
kader, gewerkt wordt. Op het punt van visievorming en management vind ik dat
er nog het een en ander moet gebeuren. Sinds kort hebben we een SPV overleg
maar dat staat in de kinderschoenen. Als beroepsgroep moeten we vooral afleren
om te zeuren over van alles en nog wat. Er wordt zoveel gezeikt over onnozele
dingen, we blijven hangen in het afzetten tegen, dat vind ik erg. Aan de andere
kant is ook het zo dat het een tijd lang uit geweest om idealen te hebben.
Het hebben van een visie of een ideologie was nu niet bepaald iets wat hartelijk
werd toegejuicht. In dat opzicht heeft de sociale psychiatrie denk ik ook te
lijden gehad van de tijdgeest waarbinnen dat niet paste.Door de huidige organisatie
van de GGZ, met alle fusies en zo, wordt dat alleen maar erger. De autonomie
wordt daarin naar mijn beleving eerder kleiner dan groter, daardoor wordt het
keurslijf steeds strakker. Het nemen van een besluit om je echt in te spannen
voor iemand ook al kost zoiets je een hele dag, dat zal steeds moeilijker worden.
Er wordt alleen maar op korte termijn gekeken, terwijl het op de lange termijn
voor de cliënt en de maatschappij veel meer oplevert. Ik denk dat de SPV
in de opleiding toegerust moet worden om dat sociale aspect van het werk uit
te blijven dragen, en training moet krijgen hoe dit op een werkplek in beleid
omgezet kan worden. Dat is misschien saai want je hebt het dan gewoon over
het implementeren van beleid in organisaties en wat daar allemaal bij komt
kijken, vooral de tegenwerking die je dan tegen komt, maar ik denk wel dat
het moet gebeuren. SPV-en moet geleerd worden hoe ze tactisch kunnen opereren
naast het vele werk dat ze op curatief gebied moeten doen. Ik weet niet of
je van stage begeleiders kunt eisen dat ze SPV-en in opleiding daar ook op
moeten voorbereiden. Ik zou niet weten hoe dat praktisch ingevuld zou moeten
worden. Op zijn minst moet het vermeld worden op een opleiding en moet daar
ook in de vorm van scholing aandacht aan worden besteed.

Ad Geluk (midden, 1948):
Ik heb interesse in de werkgroep 'vrijgevestigde SPV-en' die momenteel actief
is om te kijken op welke wijze onze beroepsgroep ook in een ander verband zou
kunnen opereren. Momenteel is de SPV vooral werkzaam in een organisatie waarin
multidisciplinair gewerkt wordt en veel tijd opgaat aan overhead. Ik denk dat
vrij gevestigden of SPV-en in de eerste lijn veel meer tijd over houden voor
de cliënten. Bovendien denk ik dat je dichter bij de klant beter kunt
aansluiten bij de vragen die men heeft. De beleidsvisie van Borst spreekt in
die zin ook over een versterking van de eerste lijn. Een aantal jaren geleden
heb ik wel eens een huisarts gebeld met de vraag of die er niet voor zou voelen,
maar die zag er geen brood in. Nu dicteert Borst het in feite en zullen huisartsen
er niet meer onderuit komen. Ik denk zelf dat SPV-en in de eerste lijn heel
veel kunnen doen maar men moet er rijp voor gemaakt worden. Het voordeel van
in de eerste lijn zitten is vooral dat je in een veel vroeger stadium bij de
cliënten kunt komen. Voordat een klant uiteindelijk eens bij een Riagg
terechtkomt, heeft men al zoveel andere hulpverleners gehad. De problematiek
is daardoor ook verhevigd en juist door in de eerste lijn te zitten kun je
preventief werken. Echter ook met nazorg kun je een hoop schakels overslaan
en effectiever werken als dit gebeurt door een SPV in de eerste lijn. De Riagg
is en blijft natuurlijk een tweede lijns instelling, een gespecialiseerde vorm
van hulp en dat betekent al dat er drempels liggen waardoor mensen minder makkelijk
binnen komen. Dat heeft natuurlijk ook een preventieve werking voor mensen
die voor het eerst klachten ontwikkelen, die kunnen terecht bij een minder
gespecialiseerde vorm van hulp omdat de problemen ook minder complex zijn.
Voor anderen die bijvoorbeeld opgenomen zijn geweest en die je in feite weer
zo snel mogelijk weer terug naar huis wil hebben zodat de integratie in de
samenleving nog mogelijk is, waarvoor zou je dan al die drempel aanleggen?
Die mensen zouden ook gebaat zijn bij hulp uit de eerste lijn dan heb je meer
tijd voor zorg omdat het minder kost denk ik. Ik denk echt dat de cliënt
hier beter van zal worden omdat hij of zij dan hulp krijgt wanneer het nodig
is. Iedere schakel die gepasseerd moet worden naar een meer gespecialiseerde
vorm van hulp kost mijns inziens meer geld, dat zou je kunnen besparen.

Frans Verberk (1952):
Ik vind dat het bestuur momenteel op de goede dingen inzet, als dat lukt dan
komt het wel goed. Je moet de massa zien mee te krijgen en de kwetsbare factoren
zitten volgens mij vooral bij het slecht gedefinieerde domein van de hele verpleging
in de wet BIG. Als je daar als beroepsgroep mee aan de slag gaat om dat helder
neer te zetten, dan denk ik dat je kunt scoren. Doe je het nu niet dan denk
ik dat je wordt overgenomen door anderen die de verantwoordelijkheid, macht
en de centen blijven claimen. Er is momenteel veel aandacht voor de verpleging,
als je kijkt naar de ondersteuning van LCV&V en de AVVV die haar vruchten
begint af te werpen. Als ik hoor dat het bestuur participeert in landelijke
overlegsituaties, dat was ondenkbaar in de tijd dat ik zelf actief was in het
bestuur en het COOSPV. Toen mocht je hoogstens zijdelings mee doen, dat is
in tien jaar tijd aanzienlijk verbeterd. Ik wens het de beroepsgroep maar vooral
de patiënten toe. Ik ben echt beducht dat als de SPV niet aan haar stutten
trekt en niet echte sociale psychiatrie gaan bedrijven er veel mensen nodeloos
in de GGZ terecht zullen komen. Daarom ben ik er van overtuigd dat SPV-en in
de eerste lijn moeten gaan werken. Ik heb de volgende symboliek vaak gehanteerd:
'de SPV moet met zijn gezicht naar de cliënten toe staan en met zijn rug
naar de GGZ en ze er pas doorlaten als het echt nodig is en niet eerder want
ze komen er nooit meer uit. Ik denk dat SPV-en in die zin veel vaker de zijde
van de patiënt moeten kiezen en moeten kijken naar de vermaatschappelijking
en dat ondersteunen. Dat is naar mijn idee Sociale Psychiatrie. Voor zover
er behandeling nodig en zinvol is, ze onder strikte regie en coördinatie
van jou, bij de psychiater terecht laten komen. De psychiater bevragen of er
resultaten behaald zijn. Als hij iemand vanwege zijn pathologie wil behandelen
dan moet hij maar hard maken dat dit binnen een bepaalde tijd verbetert. Als
dit niet het geval is dan moet je de patiënt daar zo snel mogelijk weg,
die moet uit de GGZ. Daarom ben ik een sterk pleitbezorger van de SPV in de
eerste lijn. Ik vind het beleid op dit punt ook zwak. Je houdt de chronische
psychiatrie so wie so in de GGZ want die komt er niet met een maatschappelijk
werker of een eerstelijns psycholoog. Die kunnen echt niet uit de voeten met
die doelgroep. Als je kijkt naar het nieuwe beleid van de minister, dan heb
je de wind mee. De GGZ moet zich beperken tot strikt behandelen en asielfunctie.
Ik praat vanuit mijn achtergrond als SPV maar toch vooral als inspecteur. Ik
kijk naar de belangen van de cliënten en hoor daar positieve geluiden
van platforms consumenten en patiënten dat ze positief zijn over verpleging
en negatief over behandeling. Dan denk ik, dat zit hem in dat stuk. Dat de
psychiatrie maar eens moet aantonen hoeveel behandeling er eigenlijk mogelijk
is. Wat dat betreft hebben de woorden van Gersons mij, tot aan plagiaat toe
geïnspireerd het is een zin van een patiënt " als je me kunt
genezen, genees me dan, als je me niet kunt genezen help me dan te leven".
Dat laatste daar moeten de SPV-en op gaan zitten, leven met wat voor stoornis
dan ook. Daar moeten behandelaren alleen aan zitten als daar ook iets aan te
doen valt, anders moeten ze er vanaf blijven.

Ben Geurdes (1950):
Ik vind dat SPV-en, net als andere beroepsgroepen in de gezondheidszorg, zich
periodiek moeten bijscholen. Op het hele vakgebied moet je bij blijven met
de ontwikkelingen. Ik vind het doodzonde dat we, als we de opleiding achter
de rug hebben, niet verplicht worden om ons vak bij te houden. Dat gebeurt
natuurlijk wel vanuit een persoonlijke motivatie, maar mensen die dat niet
hebben hoeven ook niets. Je moet scherp blijven en weten wat er over de grenzen
van je eigen werkveld gebeurt want je blik verkokert binnen je eigen vakgebied.
Ik denk dat bijscholing vooral gericht moet zijn op sociale psychiatrie en
dat daarvoor ook buiten de eigen grenzen gekeken moet worden.
![]() |
![]() |