Waren het in het verleden vooral vrouwen die een dominante rol speelden op het SP veld, tegenwoordig zijn de mannen iets meer vertegenwoordigd.

Ben Geurdes (1950):
Ik weet nog toen ik in Friesland kwam werken als SPV (1979) verwachtte de psychiater
dat de SPV de dossiers van zijn klanten voor hem zou klaar leggen. Dit hebben
we ter discussie gesteld want daar waren we niet voor. Ik denk dat we de opleiding
met het meer therapeutische karakter nodig hebben gehad om los te kunnen komen
van die oude B-nazorgers, die super gedienstige hulpjes van de psychiater.
We moesten tot een eigen profiel komen, maar tot op heden heb ik het gevoel
dat we dat nog steeds niet te pakken hebben. We hebben, in mijn beleving nog
steeds twee soorten SPV-en, misschien nog wel meer. De mensen die werken met
zware psychiatrie en de mensen die toch wat meer aan de kant van de psychosociale
hulpverlening zitten. Naar mijn idee is die tweedeling nog steeds aanwezig.
Ik denk dat we die periode van de antipsychiatrie, dat verheven gedoe van SPV
worden, nooit meer op huisbezoek gaan, alleen maar groepstherapie en relatiegesprekken
voeren, nodig hebben gehad om wat steviger op de grond te komen staan. Ik heb
SPV-en nooit als een homogene groep gezien die weet wat ze nu precies wil.
In Friesland zie je de tendens dat gedacht wordt dat SPV-en niet meer nodig
zijn. Veel werk wordt overgenomen door psychiatrisch verpleegkundigen. Bij
de uitwerking van de fusie kwamen de cultuurverschillen tussen ambulant en
klinisch werkenden naar voren en dat bleek ingewikkeld. Ik heb het gevoel dat
de klinisch werkenden een beetje aan het winnen zijn, om maar met die termen
te spreken. Het is zo moeilijk om over te brengen wat dat nu precies is, dat
ambulant werken. Ook hoe je dat nu precies doet. Dat je meer ruimte en bewegingsvrijheid
nodig hebt voor de cliënten. Wij ambulant werkers zijn te inschikkelijk.
Als jij niet mee kunt denken hoe ik het doe, dan denk ik wel even met jou mee.
Ik heb daarbij het gevoel dat we soms teveel inleveren. Volgens mij is dat
momenteel aan de hand.

Annemieke Kolle (1958):
Ik werk liever met vrouwen dan met mannen, ik weet niet zo goed waarom. Ik
vind het prettig om vrouwen bewust te maken van het feit waarom hun leven zo
gelopen is en dit proces verder uit te werken tot een aanvaardbaarder niveau
van welzijn. Er is ook niet veel voor nodig, zeker in een groep niet, om dit
op gang te brengen. Vrouwen nemen vaak een marginale positie in en dat maakt
hun kwetsbaarder voor psychiatrische klachten zoals depressies. In die zin
is vrouwenhulpverlening vergelijkbaar met werken vanuit het sociaal psychiatrisch
gedachtegoed. Een aantal jaren geleden ben ik met beeldende middelen begonnen
bij incest- en traumaverwerking van mijn cliënten. Het maken van tekeningen
en beelden als middel. Het gaat dan om vrouwen die verbaal heel erg goed zijn
maar minder goed in staat zijn om te kunnen voelen, én om vrouwen die
minder verbaal begaafd zijn. Door middel van beelden wordt dan een verwerkingsproces
op gang gebracht. Dat kan gaan om traumaverwerking maar ook om extreme angsten
of borderline problematiek. Bij de laatste groep gebruik ik de tekeningen om
iedere dag op een vast moment een tekeningetje te maken om op die manier te
leren dat mensen controle over zichzelf krijgen. Meestal laat ik ze de eerste
tekening op de Riagg maken om te kijken hoe ze daarop reageren en wat ze daar
wel of niet mee kunnen. Het gaat dan om heel simpele dingen zoals vragen welke
kleuren of vormen bij hun gevoel passen, op die manier raak ik vaak aan de
praat met mensen wat me dan op een andere manier helemaal niet lukt. Ik doe
dat zowel individueel als in groepsverband. In de autonomiegroep gebruiken
we dat bijvoorbeeld om de mensen voor de verschillende fasen van de groep beelden
te laten maken. Of tekeningen te laten maken over hoe ze zichzelf voelen en
hun problemen en daar dan kleine wijzigingen in aan te brengen. Cliënten
zijn daar enthousiast over hoewel ze in aanvang wel een drempel over moeten
omdat ze vaak aanvoeren dat ze niet kunnen tekenen. Daar heeft het echter niet
veel mee te maken. Ik laat vaak tekeningen of beelden zien die andere mensen
hebben gemaakt en dan worden ze vaak heel erg enthousiast. Vrouwen vinden het
ook wel leuk om iets te doen, wat in handen te hebben. Dan zitten ze in de
wachtkamer met een map met eigen gemaakte dat is zo goed is voor het gevoel
van eigen waarde. Iets dat deze vrouwen vaak niet hebben.

John Getkate (1940):
Werkgevers hebben er belang bij dat werknemers sneller aan het werk gaan. Dus
komt er geld voor die doelgroep. In principe ben ik het er wel mee eens maar
zo'n maatregel stuit me ook wel tegen de borst. Het gaat hier namelijk helemaal
niet om het belang van de cliënt maar van de werkgever. Als werknemers
zouden moeten protesteren tegen de hoge werkdruk en de stress die dit veroorzaakt.
Nederland is het land met de hoogste productie in de wereld, daar moeten vragen
over gesteld worden. Vroeger deden we dat ook, als we signaleerden dat er vanuit
een bepaald bedrijf veel aanmeldingen kwamen, dan namen we contact op met de
bedrijfsarts of de directeur van die instelling. Dan vroegen we of er iets
aan de hand was omdat we zoveel aanmeldingen kregen. Dat is primaire preventie
en vanuit de GGZ vind ik dat we de verantwoordelijkheid hebben om de verhoudingen
in de samenleving aan de kaak te stellen. Die moeten namelijk in orde zijn
zodat je minder uitval hebt. Tegenwoordig zie je bij de nieuwe SPV-en die vanzelfsprekendheid
niet meer om dit soort zaken bij de kern aan te pakken of ter discussie te
stellen. Ik vind het een verschraling dat ik dit soort geluiden niet meer hoor
van jonge SPV-en.
Ley Peeters (1950):
Ik was vooral daar waar vernieuwingen moesten plaatsvinden en waar actie was,
dat vind ik leuk en dat heb ik nodig. Ik heb van alles gedaan hier en allerlei
functies gehad. Het besluit om de SPV-opleiding te gaan doen had te maken met
een reorganisatie. Er trad weer eens een nieuwe directeur aan die er natuurlijk
zijn eigen ideeën op nahield. Hij was een grote voorstander van vernieuwingsprojecten,
zorg op maat, thuiszorg et cetera. Hij vroeg of we daar iets aan deden in dit
instituut, dat was niet zo. Toen droeg hij me op om te gaan pionieren op dat
gebied. Ik ben daar toen mee begonnen en langzamerhand is dat steeds verder
uitgebreid met een team van twee SPV-en, een orthopedagoog en wat psychiater
uren. We hebben bijvoorbeeld de PIT-verpleging voor onze doelgroep van de grond
getrokken en psycho-educatie groepen opgezet. Het werd verplicht gesteld om
de SPV- opleiding te gaan volgen om dit werk te kunnen doen. Ik vond het duidelijk
een verrijking en een aanvulling op wat ik wist en nodig had. Het pepte me
ook weer op om mijn idealisme terug te krijgen. Het prikkelde om de stap te
kunnen maken van een zorgcultuur, waar ik natuurlijk eerst mee te maken had
gehad, naar een behandelcultuur wat het nieuwe werk inhield. Die vertaalslag
moest ik wel zelf maken want in de opleiding kwam natuurlijk niets aan de orde
over mijn specifieke doelgroep (verstandelijk gehandicapten met gedragsproblemen).
Daar hebben we zelf het een en ander voor moeten ontwikkelen. Dat kon toen
ook want we hadden een psychiater binnengehaald die een autoriteit was op dat
gebied. We leerden hoe we met de psychiatrische classificatiesystemen voor
onze doelgroep moesten omgaan. Ontdekten naar de ontwikkeling te kijken, lage
I.Q's, een slecht ontwikkelde sociale en emotionele persoonlijkheid, de discrepanties
daarin herkennen. Ik heb geleerd om overdraagbaar te maken aan groepsleiders
wat het verband is tussen het gedrag van een cliënt met zijn ontwikkelingsniveau.
Dat gold ook voor de sociale context die in de MGZ opleiding werd aangereikt.
Die paste niet bij de doelgroep waar ik voor werk. Achteraf, met de nodige
ervaring, merkte ik dat die theorie wel toepasbaar was in mijn werk. Ik moest
zelf de nuances aanbrengen. De sociale omstandigheden van verstandelijk gehandicapten
roepen natuurlijk ook bij hen psychische problemen op, net als bij iedereen.

Fred Annyas (1953):
Na mijn SPV- opleiding ben ik in de verslavingszorg terechtgekomen, er was
een ontzettende behoefte aan SPV-en in de Jellinek. Dat kwam omdat men hier
gewend was om psychosociale hulp te verlenen, dus niet medisch psychiatrisch.
Ik kon hier erg goed aan de slag met alle theorie en handreikingen die ik vanuit
de opleiding had meegekregen. Bovendien denk en handel ik al erg gestructureerd.
In de omgang met families en gezinnen herkende ik veel vanuit de theorie over
wat ik wel en niet moest doen. Over verslaving hadden we niet zoveel gehad
in de opleiding, maar dat leerde ik hier in de praktijk wel. Ook had ik geleerd
dat het belangrijk was, wilde je iets nieuws starten, om je eerst goed te verdiepen
in de theorie. Ik merkte dat ik op een ander niveau was opgeleid dan de meeste
van mijn collega's. Ik had een beter overzicht over de problemen, praatte mee
in vergaderingen, ik kon me makkelijker staande houden tegenover andere disciplines.
Dat ging overigens ook niet altijd zonder problemen, maatschappelijk werkers
die we hier veel hadden bekeken me natuurlijk met een scheef oog. Die dachten:
'wat komt hij hier nu doen?' Verder was het verloop zo groot, dat ik na een
jaar hier al de meest ervaren kracht was. Dat had onder andere te maken met
het slechte imago en het stigma van een verslaafde en het overschot aan banen
in andere sectoren. Sinds de jaren negentig is er een meer medisch psychiatrische
wind in deze sector gaan waaien, zo kregen we een eerste geneeskundige (psychiater).
Bij mensen die op de detox werden opgenomen was nooit een diagnose gesteld.
Het was echt belachelijk, als mensen door een CAD werden ingestuurd kreeg ik
een kattebelletje met de naam van de patiënt erop, het dieet, geboortedatum
en een telefoonnummer, is verslaafd en moet geholpen worden. Op de afdeling
moest je dus eerst de hele diagnostiek doen. Dat deed ik, dan nam ik ze mee
naar mijn kamer en twee uur later kwamen we er weer uit. Ik stelde dan een
rapport op volgens het systeem zoals ik dat op school had geleerd. Dan zeiden
mijn collega's: 'wat krijgen we nou, wat is dit allemaal?' Het had namelijk
consequenties dat je zaken onderzocht en noteerde. Als het op papier staat
zijn dingen te controleren en moet je actie ondernemen. Daar ontkom je dan
niet meer aan. Aanvankelijk leidde dat tot problemen en weerstanden, maar zoals
je altijd ziet in organisaties heb je ook medestanders.

Marianne Nieboer (1944):
Als beroepsgroep vind ik ons uniek. Ik moet daar wel bij aantekenen dat de
generatie die ik vertegenwoordig, de wind enorm heeft mee gehad, de zeventiger
jaren stonden helemaal in het teken van vernieuwing. Er kwam uitbreiding van
vacatures, er ontstond een spik splinter nieuwe opleiding die breder was dan
ooit tevoren. In die zin zat alles ons mee, het was gewoon een ideale situatie.
Nu is eigenlijk het tegendeel aan de hand, ik heb het idee dat we de kous op
de kop krijgen. Alles werd opnieuw in beweging gebracht maar nu in een tijd
van schaarste en met heel andere idealen dan in de zeventiger jaren. Door overheidsbeslissingen
is het onmogelijk om de huidige opleiding in stand te houden. De hele verschuiving
in het onderwijs laat zien dat we daar niet goed inpassen. Maatschappelijk
gezien heeft onze beroepsgroep een duidelijke functie, daar ligt het niet aan.
Tien jaar geleden heeft de beroepsorganisatie via het COOSPV al geanticipeerd
op de wijzigingen in het onderwijsstelsel. Er lag een voorstel voor een nieuwe
opleiding, dat werd gesteund door de andere beroepsgroepen in het CONO. Het
is moeilijk te achterhalen wat er precies is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk
is, maar de opleiding is er niet gekomen. Sterker zelfs, het geld dat gereserveerd
was voor de opleiding is naar de opleiding voor Verpleegkundig Specialist gegaan.
Die opleiding gaat nu het veld in en krijgt het predikaat 'goedgekeurd door
het CONO' en met instemming van de NVSPV, dat is natuurlijk een mooi visitekaartje.
Dat het curriculum door het CONO is goedgekeurd, daar verdienen we een pluim
voor.

Sylvester de Boer (1944):
Wil je bij Sinaï ambulant kunnen werken dan moet je veel geduld hebben
regels niet al te streng toe willen passen. De financier eist dat mensen zo
kort mogelijk in zorg zijn om zoveel mogelijk mensen te kunnen helpen. De cliëntengroep
die hier komt verdraagt dat niet. Deze mensen kunnen heel moeilijk loslaten,
dat is een van de grote problemen. Dat betekent dat je langdurig een contact
met iemand moet aangaan. De groep mensen waar ik voor werk (ouderen) heeft
vooral last van neurotische, psychosociale, psychogeriatrische problemen en
ernstige oorlogstrauma's. Sociale problemen zie je hier volop, mensen hebben
vooral veel moeite om zich aan te sluiten bij anderen. Het komt regelmatig
voor dat we met mensen te maken krijgen die vrij geïsoleerd leven. Dat
heeft alles te maken met een blijvend gevoel van wantrouwen naar anderen, daardoor
sluit men zich moeilijk aan bij anderen. De angst voor antisemitisme is nog
erg levendig. Als hulpverlener moet je goed oog hebben voor de mogelijkheden
die iemand nog heeft om van daaruit verder te werken. We hebben hier een aantal
groepen in huis waar cliënten aan kunnen deelnemen en dat heeft vooral
een sociale functie. Door met lotgenoten in contact te komen wordt het isolement
voor een klein deel opgeheven. Verder moet je mensen toch ook meer vaardigheden
aanleren om aansluiting te kunnen vinden, of blijven houden, met de maatschappij.
Het belangrijkste, de grootste handicap is de ervaring met de holocaust. Sommigen
zijn als kind ondergebracht in een pleeggezin, vaak christelijke gezinnen.
Weinig mensen hebben hun ouders of andere familieleden zien terug keren uit
de kampen. Daar hebben zich toen vreselijke drama's afgespeeld. Identiteitsproblemen,
gezinsproblemen je kunt het niet noemen of het is aan de orde. Bij de groep
dementerende ouderen zie je dat angst en onzekerheid een grote rol spelen.
Zij willen dolgraag in een joods verpleeghuis want daar worden ze niet geconfronteerd
met herinneringen aan de oorlog. Kerstviering bijvoorbeeld herinnert veel mensen
aan de onderduiktijd van de oorlog, waar dat gebruikelijk was. Op het moment
dat dit in het verpleeghuis wordt gevierd kun je wel indenken wat mensen weer
beleven. Of als ze bijvoorbeeld vastgebonden worden, of in een gesloten douchecel.
Kom je in een joods verpleeghuis dan wordt er rekening gehouden met al die
kleine dingen, rammelende sleutelbossen, klossende klompen of stampende laarzen,
dat is allemaal uit den boze.

Agnes Nieuweweme (1960):
Bij het CAD in Limburg was de groep verslaafden heel breed: drugs, alcohol
en gokverslaving. Ik deed intakes en begeleidde mensen die meestal ook psychiatrische
problemen hadden, maar niet altijd. We werkten vooral met maatschappelijk werkenden.
B-verpleegkundigen krijgen de gelegenheid om de SPV-opleiding te gaan volgen
omdat gestimuleerd wordt dat er meer SPV-en komen. Na een tijdje werd een project
gestart voor drugsverslaafden met overlastproblemen en van daaruit in de reclassering.
Ik werk nu in de gevangenis met verslaafden op een speciale begeleidingsafdeling.
Er zitten 24 mensen die eigenlijk over twee groepen zijn verdeeld. De ene helft
van de cliënten moet vooral nog gemotiveerd worden om behandeling te ondergaan.
De andere groep is al wat verder en met hen ben ik bezig een traject uit te
stippelen hoe ze behandeld zouden kunnen worden, klinisch of ambulant, als
ze uit de gevangenis komen. Ik doe dat zowel individueel als in groepsverband.
We praten over het verslavingsgedrag, hoe dat eruit ziet, waar het vandaan
komt, wat ze ermee, of liever, ertegen willen doen als ze weer terugkeren in
de maatschappij. Bij beide groepen speelt ook nogal eens de dubbele problematiek.
Daarom vind ik dat het een uitstekend werkterrein is voor de SPV. Dat geldt
so wie so voor de reclassering, er werken hier ook een aantal SPV-en. Er is
zoveel complexe problematiek en er zijn zo weinig mogelijkheden voor deze groep.
Ook is het zo als iemand de gevangenis verlaat dan wordt hij of zij in begeleiding
genomen door iemand van de buitenreclassering. Daar zit dus weer een overdracht
tussen. Wat ik geen gelukkige ontwikkeling vind, is dat de differentiatie steeds
verder doorgevoerd wordt. Je ziet tegenwoordig dat je alleen nog maar kleine
stukjes mag behandelen of begeleiden. Wat moet het dan als iemand verschillende
soorten problemen heeft, dan moet ie van het ene naar andere. Wat dat betreft
vind ik de verslavingszorg heel prettig want dan kun je nog breed werken. Je
hebt hier niet alleen de angststoornissen of gedragsproblemen maar je mag hier
de hele mens met al zijn problemen begeleiden, dat vind ik ook het leukst.
Daarnaast is het ook zo dat die mens naast de verslaving ook heel andere dingen
heeft. Dat is in principe natuurlijk zo met alle problemen en in dat opzicht
maakt het in feite niet uit waar je werkt. Daarom vind ik ook dat die sterke
nadruk die in de opleiding wordt gelegd op het Riagg werk, als zou dat de enige
werkplek voor SPV-en zijn, losgelaten moet worden. De stoornis is niet dominant
maar vooral de rest er omheen, dat is in ieder geval het gebied waar wij SPV-en
ons op richten en mee te maken hebben. Dat betekent niet dat we niets van de
stoornis moeten weten, of moeten doen of die er niet is. Die stoornis veroorzaakt
vaak de handicap, het gedrag et cetera. Maar is er meer dan dat en dat geldt
voor elk gebied waar je in werkt. Dat maakt het werk juist zo leuk om te kijken
naar wat iemand ondanks zijn handicap nog kan, om dat aan te boren en te versterken.
Je gaat vaak met kleine dingen aan de slag. Je gaat niet via een therapie zaken
helemaal omvormen, zo werkt het niet. Je bent heel basaal bezig om te kijken
hoe je iemand een andere richting op kan sturen dan waar hij nu in vast zit.
Onderzoeken hoe hij daar zelf beter mee om kan gaan, maar je gaat geen diepgravende
therapie gebruiken. Je maakt gebruik van bepaalde technieken om mensen zelf
beter naar hun situatie te laten kijken om er beter mee te leren omgaan zodat
ze een makkelijker leven kunnen leiden.
![]() |
![]() |